Accordeon

Mijn vader was onderweg naar het politiebureau op het Mosveld in Amsterdam-Noord. Het was 1953 en mijn opa werkte daar als rechercheur. In een broodtrommeltje zat de lunch voor mijn opa en mijn toen negenjarige vader ging die afleveren. Onderweg kwam hij langs een café. Zoals ik het me voorstel met een naam in het kaliber van ‘De Roetetoeter’, en dan met live muziek, zoals dat vroeger veel gebruikelijker was, met een lage ruit waar je tussen de gedrapeerde vitrage door naar binnen kon kijken.

Mijn vader hoorde de accordeon, vertraagde zijn pas en stopte voor de ruit. Hij boog zich voorover en gluurde het café in. Er waren aardig wat mensen en op een stoel in het midden zat de accordeonist te spelen. Er werd gelachen en gepraat. Enkele koppels dansten op de muziek. Mijn muzikale vader werd gegrepen door de klanken en staarde gebiologeerd naar de muzikant. Zijn mond viel open. Met zijn ogen volgde hij de behendige rechterhand op het toetsenbord en de slimme begeleidende linkerhand op de knoppen. Zijn bovenlichaam begon langzaam van links naar rechts te wiegen op de maat van de muziek. Met de broodtrommel in zijn beide handen als accordeon begon hij al deinend mee te spelen. Zijn vingers gingen razendsnel over de kleine broodtrommel-accordeon. Het leek net of hij zelf speelde en hij bewoog steeds vrijer en wilder op de vrolijke café-muziek.

Plotseling hoorde hij gelach achter zich. Hij keek om, met de accordeon nog in zijn handen, en zag een klein groepje dat stil was blijven staan om zijn verrichtingen te volgen. Een mevrouw met een hoofddoek en een boodschappentas die vertederd keek, een lachende bouwvakker met zijn armen over elkaar en een sjekkie tussen zijn vingers. Twee jongetjes met een bal. Een klein zwart hondje.Mijn vader werd vuurrood en in paniek rende hij weg, de nog harder lachende mensen achter zich latend. Hij rende de verkeerde kant op, richting de pont. Halverwege kwam hij erachter dat hij de broodtrommel kwijt was. Die had hij natuurlijk laten vallen toen hij wegrende. Teruggaan was onmogelijk. Met een omweg liep hij naar het politiebureau.Hijgend stapte mijn vader de rood-bruin betegelde hal van het bureau binnen. De portier meldde dat mijn opa al enige tijd geleden met spoed vertrokken was.

Heel veel later, zo’n jaar of dertig, vertelde mijn opa tegen mijn vader waar hij die middag geweest was. Terwijl hij met zijn vingers zenuwachtig marsen trommelde op de tafel waaraan hij zat en met vochtige ogen uit het raam staarde kwam één van de verhalen die hij móest vertellen: Ergens in Amsterdam hadden buren de politie gebeld. Ze hadden eerst een ruzie gehoord en nu was er alweer ruim een uur een kind aan het huilen. Mijn opa was met zijn collega naar het adres gegaan en ze hadden de deur van de woning geforceerd. Het tapijt in de woonkamer was doorweekt geweest met bloed. In het warme herfstlicht dat door de ramen scheen lag midden in de plas bloed een levenloos vrouwenlichaam. En naast het lichaam, in het bloed van haar moeder, zat een klein meisje onbedaarlijk te huilen.

© Micha Molthoff 2016