Een elastieke band

Mijn nieuwe huis ligt tegen de dijk aan. Als ik de dijk opklim zie ik aan de overkant van de rivier een monsterlijke fabriek. Gele rook stoomt uit de schoorsteen. ‘s Nachts is hij hel verlicht en knippert wit en rood. Hij is gebouwd in de vorm van een kerk: de enorme langwerpige fabriekshal als middenschip, een wirwar van pijpen en buizen als zijschepen, de hoge schoorsteen een kerktoren. Een paar honderd meter links van de fabriek staat zijn voorbeeld, maar dan in het klein. Middenschip, zijscheepjes en de toren van het kerkje zijn in dezelfde windrichting gebouwd. De schoorsteen en de kerktoren zijn beide opgestoken middelvingers; die van de fabriek naar de natuur, die van de kerk naar God. Achter deze verdedigingswerken ligt op een heuvel de stad waar sinds kort mijn kinderen met hun moeder wonen.

Er bestaat een soort elastieke band tussen mij en de kinderen; hoe verder ik bij ze vandaan ben, hoe meer spanning ik voel. Door de afstand kan het soms zelfs pijn gaan doen omdat ze nog zo jong zijn: vier en zes jaar. De band is een navelstreng die in de loop van de jaren dunner zal worden, maar nu is hij sterk. Het is ook een verbinding die me vanzelf hun kant op trekt. Ik kan alleen maar achter ze aan gaan nadat hun moeder ze heeft meegenomen.

De nieuwe stad van de kinderen heeft zwaar onder vuur gelegen in de tweede wereldoorlog. Hij is ernstig beschadigd. Er is eigenlijk niet veel van over. De oude gebouwen die er nog staan zijn een herinnering aan hoe de stad geweest moet zijn. De nieuwbouw die op de lege plekken verrees is een lelijke herinnering aan de lege plekken. De ziel van de stad wacht ergens in één van de nabije bossen om over tweehonderd jaar terug te keren.
Hier kan ik niet wonen. Ik kom niet verder dan tot de rivier. In een huis dat tegen de dijk aan ligt huur ik een paar kamers.

Voordat dat ik ‘s avonds ga slapen klim ik de dijk op. Ik ga zitten op het natte basalt en staar naar de stad op de heuvel aan de overkant van de rivier. Daar ergens liggen ze in hun bedjes, warm van de slaap. Ik huil als ik ze welterusten zeg.

©Micha Molthoff 2015