Kabouterschoentjes

Mijn opa bracht uit Marokko een paar vreemde schoentjes mee. Ik was drie jaar en hij reisde naar dat land om inkopen te doen voor het luxe Amsterdamse hotel waar hij werkte. Hij kocht servies, theepotten, meubilair en stoffen. Naast de dingen die hij nodig had nam hij ook een grote hoeveelheid andere spullen mee terug naar Nederland. Er was een djellebah voor ‘s nachts in de ijskoude woestijn, zó dik dat hij vreselijk zwaar was en bijna onmogelijk om aan te trekken. Als je hem aan had wilde je hem weer uit. Hij was gemaakt van heel dikke schapenwol en zag eruit als een soort plaggenhut met een capuchon. We kregen een leren speelgoed-kameeltje uit de enorme familie van kameeltjes in allerlei maten en kleuren. En mijn opa had een gevaarlijke kromme dolk gekregen van één van zijn nieuwe vrienden. Hij had altijd vrienden waar hij over praatte alsof wij ze zouden moeten kennen, terwijl we nog nooit van ze hadden gehoord. Grappig was dat hij het papieren weggooi-ondergoed dat hij soms op de reis had gedragen eens terugkreeg van de roomservice, keurig gestreken en opgevouwen. Maar van alle verhalen en spullen waren de merkwaardige schoentjes het schitterende middelpunt van de schat.

Het waren een soort Indianen-moccasins met een wreef van dunne gevlochten leren reepjes. Het beste aan de schoentjes was natuurlijk dat ik ze paste. Om ze stevig aan te kunnen sjorren had ieder schoentje een leren bandje voor om de enkel. Dit gegeven deed bij mij al een lichtje branden. De gekke neusjes van de schoenen maakte echter dat mijn fantasie op hol sloeg. De schoentjes eindigden aan de punt niet als een normale schoen maar krulde door in een soort haak. Deze was uitgevoerd in wat dikker leer, wat bij mij de indruk wekte van een mij vooralsnog onbekende functie.

Ik zat aan de keukentafel te tekenen met mijn gezicht naar het raam. Onder mijn spijker-salopet droeg ik de schoentjes. Ik keek de tuin in naar de wapperende kleren aan de waslijn. En toen viel het kwartje: deze schoenen waren ontworpen voor kabouters om ondersteboven te kunnen klauteren. Het waren echte kabouterschoentjes, handige attributen in de uitrusting van een kabouter die hem in z’n dagelijkse bezigheden van dienst konden zijn: het beklimmen van daken, bomen en alles wat een kabouter zoal beklimt. Ik tekende een kabouter die op zijn kop met zijn krulschoentjes aan de waslijn hing.

Het is vreemd hoe sterk de wens was echt te proberen of de schoentjes goed werkten. Mijn moeder legde me uit dat ik kon vallen en dan rechtstreeks hard met mijn hoofd op de stenen terecht zou komen. De angst die mijn moeder had dat ik zou vallen heb ik lange tijd onbegrijpelijk gevonden.

Jaren later viel mijn oom van het dak en brak zijn nek. Mijn ouders en zusje waren in Sint Petersburg. Ik moest de eerste gevolgen van het vreselijke ongeluk alleen verwerken. Eerst nam ik de telefoon niet op, maar luisterde alleen naar de herhaalde oproepen op het antwoordapparaat. Toen het tot mij doordrong dat alles echt gebeurd was spoedde ik me naar het AMC. Er bleken bij de intensive-care speciale huilkamertjes te bestaan voor getroffen familie. Ik viel mijn tante huilend in de armen. Het leek of mijn opa niet huilde, maar er stroomden wel tranen over zijn wangen. Ik zag de sterke armen van mijn oom die nu nooit meer zouden kunnen bewegen. En ik hoorde het verhaal van zijn val van het dak: vrijdagmiddag om vijf uur, nog even snel een rol dakbedekking naar beneden. Ontredderd vroeg ik me af of hij met kabouterschoentjes beter af was geweest.

© Micha Molthoff 2016